levensvreugde

Ik ben van waarde om wie ik ben

In Persoonlijk, Verenigingsleven by hiq-redactie

Hij heeft een opvallend lichte tred en hele blauwe ogen in een gezicht vol littekens. Arend Wesdijk praat vrijuit en maakt makkelijk contact, maar de afgelopen tijd was allesbehalve makkelijk voor hem. Ilona Kuis sprak Arend over zijn mislukte suïcidepoging, waarbij hij voor veertig procent verbrand raakte, zijn hoogbegaafdheid en de zoektocht naar nieuwe levensvreugde.

“Er waren altijd twee stromingen in mijn leven. De bovenstroom van carrière, materiële zaken en relaties. Daarnaast was er een onderstroom van mineur. Ik voelde me onbegrepen, overbodig en ongewenst. Die verdrietige en eenzame onderlaag werd gecompenseerd door een succesvolle bovenlaag. Toen mijn relatie stuk liep en het met werk ook niet meer lukte, bleef de onderstroom over. Het lukte me niet om in het systeem te passen of om het systeem aan te passen. Daarom leek het mij het beste om afscheid te nemen van het systeem en van het leven.”

Impulsieve daad

Zo stond Arend ervoor in juni 2013. Na het zoveelste verzoek van de Sociale Dienst om extra documenten voor de verlenging van zijn  bijstandsuitkering, zette hij thuis impulsief de gaskraan open. “Mijn idee was dat ik op die manier rustig zou inslapen. Het stomme was dat ik geen onderzoek had gedaan of dat inderdaad zo werkte.” Er gebeurde niets, Arend bleef wakker. Hij stond weer op en verwisselde een stekker om tv te gaan kijken. Een vonkje werd een steekvlam in zijn gezicht en een gasexplosie die zijn huis en dat van zijn buren verwoestte. Met derdegraads brandwonden op zijn gezicht, armen, handen en benen lag Arend acht weken op de IC en in het Brandwondencentrum (BWC) van het Maasstad ziekenhuis in Rotterdam. “Op de IC was ik alleen maar aan het overleven, maar in het BWC kwam het besef dat iedereen wist dat ik zelfmoord had willen plegen. Het voelde bevrijdend dat het ineens out in the open was. Ondanks dat ik helemaal niks kon en mijn verwondingen aan mezelf te danken had, werd ik in het BWC liefdevol verzorgd. Ik ben het personeel daar heel dankbaar voor.” Arends basisgevoel is altijd geweest dat hij er mocht zijn vanwege zijn prestaties. “Tijdens mijn herstel kon ik alleen maar ontvangen. Daardoor ervoer ik dat ik er zelfs met brandwonden nog steeds mocht zijn.”

Naar buiten

In het begin vertelde Arend nog niet aan iedereen dat hij expres het gas had laten openstaan. Inmiddels wel. De eerste keer alleen buiten op straat vond hij lastig. Hij werd uitgescholden en mensen reageerden verschrikt als ze hem zagen. “Ik baal ervan dat ik er nu zo uitzie, maar aan de andere kant: ik was vroeger net zo onzeker als nu. Een mens went aan zijn nieuwe uiterlijk. Ik vind het ook wel fijn dat mijn littekens zichtbaar zijn, want ook mijn pijn is daardoor zichtbaar. Zelfs als ik me kwetsbaar voel, moet ik ermee naar buiten. Dat is niet altijd leuk, maar het is wel gratis therapie.”

(H)erkenning

Hij checkt bij de interviewer of zij ‘ook lid is van Mensa’. Hij vraagt het bewust op die manier, om zo het begrip hoogbegaafdheid nog even te ontwijken. De ‘ja’ lijkt hem gerust te stellen. Hij is bang arrogant over te komen of op weerstand te stuiten. “In de buitenwereld weten niet veel mensen dat ik hoogbegaafd ben. Ik ben bang dat mensen extra op mij gaan letten; alsof ik als hoogbegaafde geen fouten mag maken. Zoals een mislukte zelfmoordpoging.” Bijna vijf jaar geleden wees zijn studieloopbaanbegeleidster hem op hoogbegaafdheid. Kort daarna las hij het boek ‘Ongeleide projectielen op koers’ van Noks Nauta en Sieuwke Ronner, dat hem de eerste vorm van erkenning gaf. “Tijdens mijn herstel praatte ik veel met een buurvrouw van mijn vader. We hadden allebei arbeidsconflicten en we herkenden onderling veel. Zij gaf mij info over Mensa en het boek ‘Het Mensaquotiënt’ van Anne Hofstede en Karina Meerman. Toen heb ik de test van Mensa gedaan en gehaald, waarna ik direct lid werd. Ik ben nu twee keer naar een regioborrel geweest. Misschien kan de vereniging af en toe een veilige haven zijn waar ik kan schuilen wanneer ik mij onbegrepen voel door de buitenwereld. Ook dit interview voelt voor mij als thuiskomen, want ik kan vrijuit praten over mijn suïcidepoging en mijn hoogbegaafdheid, zonder dat ik veroordeeld word.”

Zoeken naar levensvreugde

Ondanks de persoonlijke ontwikkeling die hij doormaakte na het ongeval, heeft Arend nog steeds geen flauw idee waarom hij hier, op aarde, zou moeten zijn. Behalve voor zijn dochter, voor wie hij een goed voorbeeld wil zijn. Hij wil weer levensvreugde vinden. Door het contact met lotgenoten hoopt hij de vreugde van zijn talenten te ontdekken en eindelijk de ruimte te vinden om door de pijn en afwijzing heen te komen. “Voorheen bestond mijn groei er vooral uit dat ik me moest leren aanpassen aan de ander, dat ik maar moest begrijpen dat die het niet snapte. Op school paste ik me voortdurend aan het niveau aan van de gemiddelde of zwakkere leerling. Ik moest mijn talenten onder de grond stoppen. Waarom kan een ander mijn talenten niet respecteren en benutten zoals ik de zijne waardeer? Waarom moet ik de ander altijd begrijpen en lijkt dat zelden andersom zo? Mijn coming out betekent vooral dat ik me verzet tegen dat aanpassen.” Arend loopt nu stage bij de fractie van Groen-Links in de Eerste Kamer. Een voor hem heerlijke plek met inspirerende mensen waar hij al zijn talenten mag inzetten en ontwikkelen. “Het heeft veel pijn, verdriet en eenzaamheid gekost om me aan te passen aan het gemiddelde. Ik ben bang dat mijn kop er zo weer afgehakt wordt als hij een beetje boven het maaiveld uitsteekt, maar de fractie waardeert juist de competenties van mensen.”

Van waarde zijn

Door zelfmoord te plegen, wilde Arend de wereld niet meer tot last zijn. “Dat is wrang, want het tegenovergestelde is gebeurd. Ik heb mijn buren uit hun huis geblazen en ik ben een duur zorgdossier. Dat wat mij dwarszat, heb ik recht in mijn gezicht teruggekregen. Daarin zit voor mij dan ook de waarde van deze situatie. Ik hoop dat mijn littekens mij de rest van mijn leven eraan herinneren dat ik als persoon van waarde ben, zonder dat ik daar iets voor hoef te doen. Voel ik dat ook al zo? Nee nog niet, maar ik kan het al wel beredeneren.”